Paspoort met een X

April 2021

Ik moet mij bedwingen om niet keihard door de deur van het gemeentehuis te stormen.

In de auto op weg hierheen bedacht ik mij dat het bij ingrijpende gebeurtenissen altijd gek is om te ervaren dat de wereld om mij heen doordraait alsof er niets aan de hand is. Ik vertraag maar in werkelijkheid dendert alles door. Alsof ik naar mijzelf kijk in een film, met de blik van een toeschouwer die in de gaten heeft wat er nog meer gebeurt, die andere verhaallijnen ziet en snapt en er ook nog commentaar op kan geven.

Ik herinner me hoe ik op eenzelfde wijze naar huis fietste na de aanslagen op de Twin Towers. Ik had op mijn werkplek gezien hoe de vliegtuigen zich in de torens boorden. Niet lang daarna fietste ik naar huis. Ik wilde niet meer werken. Het was een korte fietsrit maar dat voelde niet zo. Ook weer vertraagd zag ik auto’s en fietsers langs mij rijden. De meeste mensen wisten nog van niks. De wereld draaide gewoon door.

Net als nu.

Uiterlijk rustig stap ik door de schuifdeuren van het gemeentehuis. Mijn handen trillen een beetje, mijn blik troebel. Dat gebeurt de laatste tijd vaker, als ik moe ben of gespannen.

Ik draag sinds een aantal maanden lenzen, vooral ingegeven door ijdelheid. Met een bril kan ik beter lezen. Een paar jaar geleden dacht ik nog dat dit mij niet zou overkomen.
‘Vanaf je 43ste begint het’, zei mijn opticien.
Ik dacht er het mijne van.

Net zoals als ik dat dacht toen ik negen jaar oud was en ik een reclame voor maandverband in een magazine zag. Ik bevroor toen ik het mijn moeder hoorde zeggen. Dát zou mij nooit overkomen, besloot ik ter plekke. Het gebeurde, op mijn twaalfde. Ik logeerde bij een vriendinnetje; het was alsof ik een keiharde klap in mijn gezicht kreeg.

Ik stond stil, de wereld draaide.
De realiteit vindt zijn weg altijd.

Ik kom in een sluis terecht. De deur naar de hal gaat pas open als de buitendeur achter mij is dichtgeschoven.
Het duurt mij te lang, alles duurt lang nu.

De dame die ik vanmorgen aan de telefoon had, zei dat ik geen nummertje hoefde te trekken.

Het is stil in de hal, een lichte, grote, hoge ruimte. Kamertjes van glas flankeren de centrale leegte. In zo’n kamertje zat ik al een aantal keer met een medewerker van het wijkteam en één van hun inwoners.

Nu ben ik zelf een inwoner. Pas de derde keer dat ik hier in deze hoedanigheid binnen ben. De eerste keer kwam ik om mijn ongeboren kind te erkennen. De tweede keer om mijn documenten aan te vragen, dat nog geen week geleden. De derde keer is hier en nu.

Ik heb thuis mijn luchtje op gedaan. Dat doe ik altijd als ik mij extra sterk wil voelen. Het kruipt langs mijn hals omhoog via mijn iets te vaak gebruikte papieren mondkapje mijn neus in. Mijn partner zei van de week dat ik het niet te vaak moet gebruiken nu we een baby hebben. Het parfum verbergt mijn natuurlijke geur. Die ruik ik trouwens ook, via de binnenkant van mijn mondkapje. Ik besluit het ding na dit bezoek meteen weg te gooien.

In gedachten ben ik toch aanbeland bij de afsprakenzuil. Ik toets mijn geboortedatum in. ‘Voor het afhalen van documenten is geen afhaalbewijs nodig, meld u bij de balie’, staat er in zwart op wit.

Oh, ja… Ik draai om en loop richting de persoon achter de balie die mij vriendelijk toelacht.

Er is verder helemaal niemand, ik hoef niet te wachten en dat is toch spijtig. Hoe ongeduldig ook, ik ervaar vaak een fijn soort masochistisch genoegen als een belangrijk moment nog even op zich laat wachten. Het uitstellen van genot geeft een kick. Niet alleen hier en nu.

‘Kan ik u helpen?’.

‘Ja zeker, ik kom mijn rijbewijs en paspoort ophalen.’

In mijn hoofd roffelt een drumband. Ik kijk voor de zekerheid toch nog even snel om mij heen. Er is echt niemand die het kan horen. Jammer.

‘Mag ik uw geboortedatum?’.

Ik noem de datum en tegelijkertijd kijk ik gespannen naar haar reactie. Deze blijft neutraal. Hoe toepasselijk…

‘Ik ga de documenten halen, een ogenblik’ en weg is ze al.

Ik bespeur niks bijzonders aan haar houding als ze terug komt.

‘Hier zijn ze dan, even kijken, moment…’, ze rammelt wat op het toetsenbord van haar computer.

‘Ze zijn er snel hè. Eigenlijk pas donderdag, werd mij vorige week gezegd.’ Ik doe een poging tot een gesprek met iets meer diepgang. Dat vind ik namelijk wel passen bij dit moment.

‘Klopt, u hebt geluk. Alstublieft, kijk nog maar even goed of alles in orde is.’

Ze overhandigt me het rijbewijs eerst. Zelfverzekerd staar ik mijzelf vanaf de klein roze kaart aan. Ik geef de foto een knipoog terug. Alles staat er goed op, ook mijn nieuwe kapsel.

Nu dan het paspoort, het belangrijkste.
Ook hier het zelfvertrouwen dat mij tegemoet straalt.
Mijn nieuwe namen, alle drie, met dezelfde initialen als voorheen.
Hetzelfde, maar toch zo anders. Ik besta.

Mijn blik schiet naar beneden. De X-en. Ze staan er echt. Mijn ultieme administratieve beloning na zeven maanden juridische procedures.

Mijn hart bonkt in mijn borst. Het wil eruit en springen. Mijn hart dat ik steeds meer volg, leidt mij nu naar euforie.

‘Veel plezier ermee’, zegt de dame.

Plezier? Ik staar haar enigszins verward aan.
Ze weet niet half wat ze zojuist teweeg heeft gebracht.
‘Plezier’ betekent dat dit iets gewoons is.
‘Plezierig’ zou ik het niet noemen, eerder ‘life changing’.

De realiteit vindt zijn weg altijd. Ook nu.

Dit is life changing voor mij, maar het siert de medewerker die hier ‘gewoon’ mee omgaat.
Ook al is zo’n X nog niet veel voorkomend, mijn gevoel en identiteit zijn dat wel.

Ik bedank haar vrolijk en loop naar de uitgang.

Buiten zucht ik diep. Het zonlicht van de jonge lente kleurt alles fris en zacht. Ook nu draait de wereld door.
Ik sta nog even stil.